...Ik rende terug door de jaren. Dertig jaren. En mijn herinnering hield stil op een St. Nicolaasavond, toen ik ook bij mijn haardvuur zat. Mijn zoons en Els, drie kleine hummels, dromden rond mijn knieën. Channah was met de meisjes bezig St. Nicolaas op te tuigen en zo nu en dan hoorde ik hun schaterlach. Voor Goedheilig-man speelde Channah’s oudste broer, die alleen het celi-baat gemeen had met de Spaanse biss.cb.op en dat op zijn eigen bijzondere manier.
Elsje had nog niet zoveel begrip van St. Nicolaas. Ze keek onbevangen rond, zong opeens met haar kleuter-uitspraak: Zie de maan schijnt door de bomen, en stak op de maat haar mollige armpjes de lucht in.
Adam, ernstig, keek gespannen naar de deur. Hij pro-beerde het mysterie van zijn afwezige moeder en de schaterlach in de verte te doorgronden.
Mordechai verloochende zijn zakelijke aanleg niet en vroeg:
״Waar haalt St. Nicolaas al dat geld vandaan, vader?”
״Sinterklaas is rijk.”
״Zo rijk als wij?”
״Weet jij dan hoe rijk wij zijn, Mordechai?”
״Nee. Hoe rijk zijn we, vader?”
״Ik weet het niet precies, m’n jongen.”
״Oh!”
Adam draaide zich om. Met een ernstig gezicht kon-digde hij aan:
״Daar komen ze.”
״Sinterklaas en Zwarte Piet?” informeerde ik.
״Sinterklaas en allemaal.”
Er was gerucht bij de deur. Ik hoorde nog even een onderdrukte lach en toen ging de deur open. St. Nico-
195