״Ik riep, laat ’m zijn gang gaan, laat hem eten. Wij hebben hem op een keukenstoel gedrukt en hem almaar brood en kaas en vlees gegeven, maar hij at niet veel. Toen begon hij weer gek te doen en hij zei tegen ons: ‘Hier Bram vreet, neem jong, kijk es wat ik georgani-seerd heb’ en hij gaf ons alsmaar brood met kaas en vlees, wat wij hem dan weer opnieuw toestopten en we dorsten niks te doen.”
״Ja, ja,” viel Jopie weer in. ״Ja en toen begon hij er mee rond te strooie. En hij zei: ‘Neem, eet, leef mensen, leef’.”
Zij begonnen opeens alle drie te huilen. Joab Da Fon-seca had hen toch diep in het hart getroffen. Ik maakte van deze ontroering gebruik om de voorgenomen uit-tocht van mijn verplegingskorps te verhinderen. Aller-eerst gaf ik hen ieder het St. Nicolaaspakket en ik wak-kerde de ontroering aan met de woorden:
״En nu juist op Sinterklaas, meisjes.”
Het viel goed. Jopie keek verrast op door dat ‘meis-jes’. Nog steeds was er een overblijfsel van het verlan-gen om het liefje van de hoofdman te worden. Carolien, de zakelijke, zei:
״Wij wilden weg.”
״Dat zie ik aan jullie bagage, meisjes. Dat stelt mij voor een zeer moeilijk probleem.” En om tijd te winnen voegde ik er aan toe:
״Waar is meneer Da Fonseca en mevrouw?”
Mijn keukenmeid betrad weer de Bühne:
״Die is boodschappen doen en hij legt nou in bed. Er is een verpleegster bij.”
״Wat vertel je me nou, Anna? Is er een dokter ge-weest?”
192