dankte, dat zij er mocht zijn, ondanks de zorg en het leed, die in haar leven waren geweest. Geen wroetende me-lancholie, geen opstandigheid, geen verveling, maar vooral geen spot. Niets anders dan: Heer, ik dank U voor dit, mijn deel... Meer dan een uur heb ik daar ge-zeten. Toen verliet ik de zaal en liep snel naar de uitgang. Ik wTilde niets anders zien.
Kees stond al naast het portier. Hij glimlachte niet en daarmee toonde hij een toegewijd mens te zijn. Ook ik glimlachte niet en sprak geen woord gedurende de rit naar huis. Toen ik hem het uur had genoemd, waarop hij mij de volgende dag moest komen halen, vroeg hij toch schuchter:
״Meneer heeft het mij toch niet kwalijk genomen?”
״Kees, onze Lieve Heer houdt er een heel korps zen-delingen op na. In allerlei vermommingen, soms zelfs als chauffeur. Prettige avond, Kees.”
״Van ,t zelfde, meneer Levano.”
Wij keken elkander vluchtig aan en toen glimlachten wij beiden. Langzaam besteeg ik mijn stoep en ik hoorde hem wegrijden, terwijl ik de deur achter mij sloot.
De duivel moet op de hoogte zijn geweest van de goede gedachte van de zendeling Kees en hij moet met een intens plezier zijn binnengesprongen in mijn huis, misschien wel toen de melkboer stond te ginnegappen met Jopie.
Toen ik de hall betrad, sprong een gedaante in een zwarte mantel van de zitbank op en gilde:
״Hij hep me wille doodsteke.”
Twee andere gedaanten, ook in mantels, maar fleuri-ger, sprongen ook op en grepen de zwarte beet.
190