Dat is ieder jaar. Ze zegt: ze weet niks anders en dan tien beste sigaren van m’n zoon en dan nog van de een of ander een plastic autootje met een rijm en ze stelen m’n chauffeurspet. Maar die krijg ik dan weer terug in een groot pak, ook met een rijm. Nou en tussendoor een stuk boterletter met koffie. Wat wil een mens meer? Z’n vrouw en kinderen om de tafel, een vaste boterham en een verzorgde ouwe dag.”
״Tja, Kees, dat is een heleboel. Niet iedereen is zo tevreden en gelukkig als jij.”
״Wat is gelukkig, meneer Levano? De mens is nooit altijd gelukkig. Dat kan niet. Alleen maar enkele mo-menten zijn gelukkig en daar doe je dan je hele leven mee.”
״Is het onbescheiden te vragen welke momenten dat in jouw leven waren, Kees?”
״Helemaal niet, meneer Levano. Toen mijn meisje verlegen ‘ja’ fluisterde, toen ik haar vroeg, was ik vol-maakt gelukkig. Rn toen ik deze baan van u kreeg en weer buiten op de stoep van de bank stond, en vanavond ben ik gelukkig, als ik zo rond kijk naar de kinderen en ik zie, dat ze allemaal oppassend zijn en hun brood ver-dienen. Het is niet zo moeilijk, meneer Levano.”
Er klonk iets vermanends in zijn stem, ook iets onge-duldigs. Niet zo zeuren, patroon, een beetje meewerken om het te willen zien. U niet zo vastklampen aan het ver-leden. Ik zuchtte. Blijkbaar diep en luidruchtig, want Kees zei, terwijl hij in het spiegeltje keek naar een achter-ligger:
״U moest weer trouwen, meneer Levano.”
״Ho, ho, Kees, wat haal je in je hoofd? Een man van mijn leeftijd?”
187