״Welk ziekenhuis was dat van die rachitiskinderen?”
״U sprak van bleekneuzen en rachitiskinderen. Ik had het over een kindertehuis,” antwoordde zij terecht-wijzend.
״Zoek er dan een uit, dat rachitiskinderen behandelt. Waar, kan me niet schelen. Ook tien mille.”
״Een dure Sinterklaas,” ontviel het haar, terwijl zij een notitie maakte.
״Dat is het privilege van een mesjoggene Portegiez,” zei ik. Ik wuifde met een hand, dat zij vertrekken kon. Toen ik haar nakeek zag ik, dat zij heel even met haar schouders schokte. Wij begrepen elkander blijkbaar nog niet.
Het was half twee toen ik naar huis reed, want ik had geen zin meer in zaken. Naast mij op de bank lagen de St. Nicolaaspakketten voor mijn huispersoneel en ook twee pakjes voor Reina en Joab. Zou zij deze ook naar het Leger des Heils sturen en zweren bij Chanoeka? Deze gedachte irriteerde me. Ik voelde, dat mijn wenk-brauwen gefronst waren en dat ik ergens op staarde en langzaam realiseerde ik mij, dat het de nek van Kees was. Kees, stoer, oerdegelijk, een rots van een huisvader.
״Kees.”
״Jawel, meneer Levano.”
״Kees, vanavond kan je je toffels aantrekken. Ik heb je beslist niet nodig.”
״Wist ik, meneer Levano. Da’s ieder jaar zo.”
״Wat zal er voor jou gereden worden, Kees?”
״Nou laat-es kijken. Een pijp, da’s vast, van de vrouw en een Enkhuizer Almanak, da’s ook vast, van m’n jongste dochter. En een das van m’n oudste dochter.
186