״Kom, de koffie is bruin.”
״De serveerster van de cafetaria de Vüleneuve is tot uw dienst,” flitste het weer uit haar mond.
Alphonse antwoordde niet, ging zitten met gesloten ogen, zijn hoofd achterover geleund, zijn vingertoppen tegen elkaar.
״Koffiestand,” zei Martha.
Ik moest lachen. Dit soort gezellige kibbelarijen miste ik in mijn eenzame museum. Ik zat tegenover Alphonse bij de haard, het lage schaaktafeltje tussen ons in, naast ons een bijzetje voor onze koffiekoppen en asbak. Martha schoof haar stoel bij, nam plaats met een breiwerk. Zo zit ook de scheidsrechter bij een tenniswedstrijd op zijn ladderstoel. Alphonse en ik keken elkander aan. Van-avond zou het geen schaken worden. Ik schuifelde wat vooruit om de eerste zet te doen.
״Heb je al een nieuwe huishoudster?” vroeg Martha en haar breipennen begonnen te tikken.
״Nee Martha. Ik heb nog geen annonce geplaatst.”
Mijn hand aarzelde even, maar toch verzette ik de openingspion.
״Zal niet meevallen, vandaag de dag. Mooie kleren en uitgaan en acht uur werken en drie weken vakantie met dubbel loon, anders ga ik weg. Geen aardappel kunnen ze koken. De koffie is slobber. Thee is afwaswater. Waar of niet?”
Alphonse probeerde zich te concentreren op zijn ant-woordzet. Hij zat voorovergebogen, het hoofd in de handen.
״Alphonse, houd je rug recht. Je groeit helemaal krom. Je jasje hangt tegenwoordig in een tuitje,” zei ze verwijtend.
174