hem zou komen schaken. De vlucht van Inge diende als voorwendsel, maar het waren de woorden van Sara van Colmar, die mij uit mijn kloosterleven dreven. Ik beken, dat ik naar het tijdstip verlangde, waarop Kees zou voor-rijden met het zwarte beest Cadillac. Ik zat ruim een kwartier, gekleed met hoed en jas te wachten, tot grote verbazing van Carolien, die driemaal onnodig de hall door liep om mij te bekijken.
Bij Alphonse werd het een soort blijde inkomste. Een week tevoren hadden wij nog schaak gespeeld, maar hij schudde mij de hand alsof ik van een gevaarlijke expe-ditie was teruggekeerd. Triomfantelijk wierp hij zijn huiskamerdeur open en duwde mij zachtjes naar binnen. Hier is de verloren zoon, red hem!
Martha de Villeneuve sloeg kinderlijk blij haar han-den ineen en riep:
״Wel, wel, wel. Daar is-ie dan eindelijk, de kluizenaar.”
Zij kwam naar mij toe, haar hele wezen glimlachte. Van haar zilverwitte krullende haren tot haar schoentjes toe. Zij pakte mij bij de schouders, hield haar hoofd achterover en bestudeerde met haar lachende grijze ogen mijn gezicht.
״Zo, zo, zo. Dat is me wat. Dat is jaren geleden. Een schandaal om mij zo te verwaarlozen en die dwaze Al-phonse maar trouw iedere week naar je toe komen. Had ik nooit gedaan,” riep ze.
״Mannentrouw is een bijzondere trouw, Martha,” antwoordde ik.
״Maar vervelend,” flitste het terug.
Alphonse fronste de wenkbrauwen. Martha kwam op toeren, zou misschien een beetje op hol slaan en dat kon hij niet velen. Hij onderbrak:
173