״Hoe kom je zo toegetakeld,” vroeg zij.
Ik snikte iets over een jongen in een van de zijstraten.
״Kom mee,” zei ze. Ik dribbelde mee, aan haar hand, geloof ik.
In de zijstraat stond hij er nog, opschepperig te mid-den van zijn paladijnen. Oma Judith gaf me een duw.
״Pak hem aan,” zei ze. ״Ik wacht hier.”
Mozes bleef ook op de achtergrond bij de eerste slag om Kanaan. Opeens, dol van woede en overmoedig door de dreigende aanwezigheid van Oma, rende ik op mijn vijand af. Hij was verbluft en oma op de achter-grond ondermijnde beslist zijn moreel, want ik won, hoewel niet spectaculair. Misschien vluchtten we alle-bei, hij naar zijn moeder en ik naar mijn grootmoeder. Ik had er nog een blauw oog bij, maar ik voelde mij een man. Toen zei oma:
״Ik wil dat je leert boksen, Gideon, en schermen en alles. Een joodse jongen moet weer leren vechten. Ver-tel niets aan je grootvader. Ik betaal het. Je grootvader is te zacht en een man van boeken.”
Ik heb het allemaal geleerd.
Ik keek de N.S.B.er aan. Tuurde over zijn schouder en zag oma Judith op de hoek van de straat. Ik glim-lachte.
״Lachen? Moet jij lachen, smous? Wij zalle je laten lachen.”
Toen pakte hij mij beet. Mijn kinderjaren herleefden, oma Judith, gezegend zij uw gedachtenis. Ik sloeg hem met harde vuist onder zijn kin. Ik zag dat hij duizelde. Toen trok ik hem over zijn fiets. De tweede wierp zijn fiets op de grond en sprong toe, maar kleine, stevig ge-bouwde David Katz kwam direct te hulp. Wij vochten als