mijn schoonouders. Wij praten nooit meer over toen en ik ben opnieuw gelukkig met een vrouw en een dochter.”
״Duizend en een nacht, David,” zei ik stroef.
״Wat bedoel je, Gideon?”
״Hoeveel duizend en een nachten zullen gevuld kun-nen worden met de verhalen van joodse onderduikers?”
״Misschien maar honderd en een nacht,” zei hij ernstig. ״Onze rijen zijn daarna sterk gedund.”
Wij zwegen lange tijd. Ik keek op mijn horloge. Het was één uur in de nacht.
״Ik zal je thuis brengen,” zei hij.
Toen wij reden, vroeg hij op onrustige, wat schorre toon:
״Het is goed afgelopen toen met jou. Anders had ik je nu niet getroffen in de schouwburg,” voegde hij er wat opgelucht aan toe.
״Ja,” antwoordde ik somber.
״Is hij dood?”
״Nee. De eerste dag heeft de B.S. hem gegrepen. Tien jaar.”
״Levenslang was beter geweest.”
״Nu, na zestien jaar, ben ik blij geen mens te hebben gedood,” zei ik en staarde voor mij uit.
״Dat was geen mens.” David stoote het uit.
״Toch! Een mens naar de vorm. Doden, moorden is de allergrootste uitspatting, David.”
Wij waren bij mijn huis. Hij keek verbaasd naar de weelde van mijn woning, van mijn tuin en het chauf-feurshuis bij de inrijpoort.
״Potdome, dat is wat,” zei hij.
״Geen oorlogswinst, David. Van oudsher waren de Levano’s vermogend.”
!6?