dere lekkernijen en grootvader las het joodse week-blaadje, de hele avond. Grootmoeder las een stuk uit ‘Das Glückel von Hameln’, iedere vrijdagavond en als zij uitgelezen had, begon zij opnieuw...
Ik staarde in het vuur van mijn haard. Voorbij, voor mij voorbij sinds mijn negentiende jaar, toen ik mij los maakte van deze intieme eeuwenoude sfeer. Toen ik begon te lezen en het gif van de vrijdenkers inzoog, kritisch de Thora en andere godsdiensten ging ont-leden. Toen ik begon mijn schouders op te halen en buitenshuis ‘treife’ at en vrijde met christenmeisjes. Toen ik tram reed op sabbat, rookte. Toen ik de sjoel niet meer bezocht en de verwijten van mijn grootouders afdeed met een schouderophalen. Ik schopte op negentien-jarige leeftijd een traditie weg en had er niets voor terug-gekregen. Voorbij.
Ik dacht aan Sara van Colmar, aan haar uitnodiging om bij de mensen waar zij in pension was, sabbat te komen vieren. Aan mijn weigering, aan mijn halsstarrig-heid, aan mijn liberalisme, dat zelfs geen liberalisme was, doch slechts nog het betalen van mijn aanslag voor de kerkelijke belasting. Een hoge aanslag, want ik ben de schatrijke JoodGideonLevano, die veronderstelt aflaat te kopen en de mogelijkheid om op de joodse begraaf-plaats te worden ter aarde besteld.
De klok sloeg tien uur. Ik stond op om te gaan slapen. Gideon Levano, de eenzame, de afvallige, de chemische fabriek, de handtekeningenautomaat. Eli, Eli, Lama Sabachthani.
De woorden van Sara van Colmar hadden mij dieper
162