zijn handen in zijn zakken. Zijn hoofd zakte op zijn borst en hij sliep in. Hij snurkte niet. Zwijgend beëindigden Reina en ik de maaltijd. Wij gebruikten geen dessert.
״Zal ik je helpen hem naar boven te brengen?” vroeg ik.
Zij knikte dankbaar en zij maakte Joab wakker. Ge-willig stond hij op. Hield zich vast aan haar schoudertje en dribbelde gedwee mee als een kind, dat bang is in een vol warenhuis. De meisjes kwamen om de tafel af te ruimen, zij waren bleek en kennelijk nerveus. Ik ging naar mijn zitkamer en nam plaats bij de haard. Alles gebeurde zwijgend. Grand guignol.
Reina kwam na een half uurtje bij me zitten, klein, verschrompeld, verminkt, intens treurig en beschaamd.
״Het kan zo niet langer, Gideon. Wij bederven je leven.”
״Dat is niet meer mogelijk, Reina.”
Ik moest zo antwoorden, al was het niet opwekkend. Zij deed alsof zij liet niet hoorde.
״Zou er een dokter bestaan, die hem genezen kon, Gideon?”
״Mijn vriend, Alphonse de Villeneuve, gelooft dat wanneer jullie naar Israël gaan, daar misschien genezing mogelijk is. Dat hij daar Maidanek zou vergeten.”
״Israël laat geen gekken toe,” zei ze beslist. ״Wij krij-gen nooit een immigratievergunning.”
״Ik weet het niet. Misschien is er een instantie, die gevoelig is voor dit bijzondere geval en het is mogelijk, dat een schenking aan een of andere charitatieve instel-ling daar de geest wat milder maakt,” zei ik.
Geld. Altijd denk ik aan geld. Dat er misschien een college van regenten alleen uit menselijkheidsoverwe-
159