scharrelde naar binnen, angstig als een slaaf, Reina volgde hem op de voet, waakzaam en nerveus.
״Goed sabbat, Joab.”
״Goed sabbat, Gideon.”
Joab greep het gallebrood. Rukte het in stukken en propte zijn mond vol, Reina ontnam hem de rest, zei streng:
״Kalm Joab. Wij zijn ergens te gast. Heus je krijgt genoeg. Het is vrede, Joab.”
Carolien serveerde de soep. Joab legde zijn armen rond zijn bord, hij beschermde het tegen roof. Hij keek loerend rond. Toen nam hij gulzig een lepel vol, maar spuwde het terug, de soep was kokend. Hij gromde kwaadaardig, de armen nog nauwer om het bord. Reina huilde. Ik had diep medelijden met haar, maar zij huilde toch te veel.
״Het is geloof ik beter, dat wij op onze kamer eten, Gideon. Ik vind het zo vreselijk en het is ook beter, dat wij terug gaan naar Amsterdam.”
״Het betekent niets, Reina. Ik dacht dat je het prettig zou vinden vrijdagavond gezamenlijk te eten en samen een kleine illusie te koesteren, dat wij nog Joden zijn.”
״Waarom Gideon? Het Opperwezen heeft Joab en mij ontjoodst.” Zij bleef hoffelijk en zonderde mij uit.
Ik lepelde mijn soep en dacht na over haar woorden. Toen antwoordde ik:
״Hoeveel Joden zou het Opperwezen ontjoodst heb-ben gedurende onze geschiedenis, Reina, en waarom?”
Zij haalde de schouders op en antwoordde bitter:
״Dat is de prijs om een uitverkoren volk te zijn.”
Joab slurpte zeer luidruchtig en gromde tevreden. De soep liep langs zijn kin, bevuilde het servet dat Reina
157