mijn kantoor verlaten. Ik nam plaats, opeens gekal-meerd. Dat gaat zo, als een woede kleingeestig is.
Vrijdagavond. Zes uur. Ik betrad mijn huis, mijn mu-seum. Het was er niet warm. Ik draaide in de hall aan het technische snufje van de centrale verwarming. Het ding deed iets met de oliepomp, die vervaarlijk begon te zwoegen.
Mijn werkkamer. Opgeruimd als de kamer van een gestorvene. Mijn zitkamer. Opgeruimd als een toon-kamer van een meubelfïrma. Mijn eetkamer. Opgeruimd als een duur restaurant voor het dineruur. Het trappen-huis. Opgeruimd als de hall van een vorstelijk paleis.
De logeerkamers ben ik niet doorgeslenterd. Zij zijn ook opgeruimd. Als de luxesuites van een magnaten-hotel aan de Riviera. Opgeruimd, onpersoonlijk, geen bloemen, geen slingerende sjaal, geen neergekwakt vrouwenhoedje, geen manteltje over een stoel, geen verlaten schoentjes verwisseld voor warme pantoffeltjes. Geen poederdoosje of lippenstift ergens zo maar lekker laten staan. In mijn huis was niets dan mijn eigen in-structies, Inges drilsysteem en boenwas.
Ik belde en nam plaats in mijn stoel bij de haard. Carolien verscheen. ״Steek de haard aan.”
Zij verliet zwijgend de kamer. Stuurde Jopie, want het was haar werk. Jopie knielde, stak de haard aan. De vuurmakers en het hout vlamden direct op, verlichtend het blonde, slanke kind, hetzelfde kind dat eens het liefje van de hoofdman had willen worden. Zij was nog volksmooier geworden, bekoorlijker en zinnenprik-kelen der dan toen, maar zij zou over tien jaar dik worden, grof. Zij zou zich ook verwaarlozen, misschien ver-
155