men ooit nog feestelijk gekleed zijn? Nee, dat kon niet. Deze sjiwwe zou duren tot zijn dood. Ik heb hem eens gevraagd, of hij vroom was. Of hij op sabbat nog naar de sjoel ging? Hij keek mij onderzoekend aan en vroeg:
״Waar? Met wie?”
Ik knikte begrijpend. Waar de synagoge had gestaan was de kuil, die er nu nog is. En met wie? Met deze neurotici, waarvan het merendeel zich verweet nog te leven, omdat hun moeder was vergast, hun vader dood geknuppeld of kinderen door nekschoten vermoord. Zij konden slechts naast elkander zitten in hun sjoel, zonder enig contact. Een paar honderd gedachtenwerelden, als kiezelstenen op een hoop, tegen elkaar, zich nimmer verbindend. De stilte der levenden...
Sara van Colmar kuchtte. Ik schrok, de brief trilde even in mijn hand.
״Ik herinnerde mij even deze dode, mevrouw.”
Ik dicteerde mijn antwoord aan de notaris.
Nadat alle brieven waren behandeld, treuzelde Sara. Ik keek haar onderzoekend aan en zij leek mij wat ner-veus. Iets ongewoons, dat niet bij haar paste. Ik tikte ongeduldig met een potlood op mijn schrijftafel.
״Hebt u nog iets te vragen, mevrouw?”
Zij vermande zich. Er was blijkbaar iets in mijn stem dat bij haar een zekere weerstand opriep.
״U hebt nog niet beslist, meneer Levano, of u van-avond onze gast wilt zijn, van mijn broer en mij ?”
Ik herinnerde het mij opperbest, maar de moeilijk-heden met Joab Da Fonseca, het weglopen van Inge en mijn dwaaltocht van gisteren waren niet zo geschikt om aan een orthodox vrijdagavondmaal te denken. Maar
152