bedillerige moeke, die moe maar tevreden naast hem in bed kruipt en zegt: ״Ze leit, vader.”
Ik keek naar zijn gezonde, stoere nek en rug. Naar het keurige uniform en de pet. De privé-chauffeur van Gideon Levano, tiptop, stijlvol, duur.
״Rij me naar kantoor, Kees. We moeten werken.”
Pluralis majestatis. Gideon Levano, de geldvorst. Rijk, alleen, doorziekt van melancholie.
Mijn hulpeloze gevoel en het verbeuzelen van mijn tijd waren vanmorgen verdwenen. Ik had dromeloos ge-slapen door een tablet van een moderne alchemist. Ik was vroeg op kantoor, zo vroeg, dat mijn chauffeur mijn portier uit zijn bovenhuis moest bellen en deze in hemds-mouwen op het bordes van mijn bank manipuleerde met de sleutels. Een vreemd gezicht, net een inbreker. Maar toen ik voor de lunchpauze het gebouw verliet, was hij in zijn uniform weer de portier, gewichtig en in-drukwekkend.
Mijn vroege komst was blijkbaar een grote verrassing en had het hele personeel bijzonder waakzaam gemaakt, want toen Pan, prompt tien uur boven aan de trap stond om zijn sluiptocht te beginnen en in de grote zaal be-neden hem keek, was het daar een en al jachtig gedoe. Ik nam mij voor de hele week vroeg te komen. Grootvader deed nooit zulke verrassende overvallen. Hij was altijd precies half negen op kantoor, de buren stelden hun klokken op hem gelijk.
Sara van Colmar kwam toesnellen met een indruk-wekkende stapel dossiers en brieven. Opgelucht depo-neerde zij de stukken voor me. Ik keek er blijkbaar ver-bijsterd naar, want ze schoot in een lach. Ik vond dat
150