Ik had de meubelfirma opgebeld en hen opdracht ge-geven de kamer opnieuw te meubileren. Zij wilden een binnenhuisarchitect sturen. Niet nodig. Maar wij stel-len er prijs op u stijlvol in te richten. Interesseert me niet. Iets moderns? Goed, iets moderns. In welke prijs-klasse? Vraagt u niet zoveel. Kan me niet schelen. U zult tevreden zijn, meneer Levano. Wij hebben u altijd naar genoegen bediend. Goed, doe het dan nu ook en een beetje snel. Waarom stelde ik geen belang in deze kamer van Joab en Reina? Was ik dan niet lastig meer? Ik had toch altijd pietluttig gelet op stijl en combinatie en kwaliteit. Ik haalde mijn schouders op. Voor mezelf, op de achterbank van m’n auto.
Wij passeerden het viaduct over de Leidsestraatweg. In de verte doemde de stad op.
״Rij wat om naar buiten,” zei ik tegen Kees.
״Waarheen wenst meneer?”
״Kan me niet schelen. Rij wat om naar buiten.”
Hij manoeuvreerde door Marlot. Reed terug. Ik was op weg naar Amsterdam.
״Stop,” zei ik.
Hij stopte. Ik stapte uit. Keek over de akkers van de Haarlemmermeerpolder. Achter mijn rug zoefden de auto’s voorbij. Zoem... zoem... zoem... zoem. Als vol-treffers in een denkbeeldig doel.
Zoem... zoem... zoem. In rijen van acht, nekschut-ters aantreden, één, twee, één, twee, één, twee. In rijen van acht, jullie zwarte kogelgaten. Zoem... zoem... stip, stip.
Joabs woorden waren binnengedrongen in mijn ge-dachten en hadden zich vastgezet.
Channah! Els! Adam! Mordechai! Zoem, zoem, zoem.
148