terwijl ik de woorden sprak. Zij keken mij geschrokken aan, die oude baas kon toch nog boos worden ook.
״Nou ja,” zei de keukenmeid en veegde haar handen aan haar schort af, ״nou ja, bij wijze van spreken dan.”
Ik begreep niet waar dat op sloeg, maar ik knikte zekerheidshalve begrijpend.
״Kom meiden,” beval ze, ״we gaan de boel redderen.”
״Laat dat nog even, Anna, ik wil eerst zelf eens kijken en ze geruststellen.”
Anna, mijn keukenmeid, knikte toestemmend. Toen vroeg ze fel begerig:
״Nou juffrouw Inge het rit heb genome, wie regelt de boel nou hier?”
Ik veronderstelde, dat het rit genome betekende, ont-slag genomen. Daarom zei ik berustend: ״Jij Anna.”
״Goed dan. Tot er een nieuwe is, want er mot een nieuwe komme. Dat ken nie anders in zo’n luxe. Koke ken ik, maar feesies make en kletse met de visite, nee, dat, dat legt me nie. Kom meiden.”
Haar terugtocht was groots. Even had ze de macht geproefd en direct daarop gevoeld dat hij te groot voor haar was. Anna, mijn keukenmeid, is eerlijk.
Boven vond ik twee mensen als geslagen honden in een hoek.
De volgende morgen, op weg naar kantoor, over-peinsde ik de gebeurtenissen. Joab en Reina had ik ge-huisvest in een andere zitkamer. Ik heb veel kamers in m’n huis, waarom heb ik zoveel kamers? Een mens kan toch ook leven in een klein huisje. Bijna had ik gedacht, gelukkig zijn. Wat is gelukkig zijn? Ik wist het niet meer. Het interesseerde me ook niet. Ik leefde, c’est tout.
147