een falanx. Een revolte. Dreigend, zwijgzaam wachtten zij op mijn verweer. Ik koos goed.
״De zielepoot,” zei ik.
״Hij mot opgeslote worde, zo een ken nie vrij rond-lope. Vandaag of morgen vergrijpt-ie zich aan een van die kinderen.”
De kinderen, op hoge hakjes met Bardot-kapsels en aangeplakte wimpers, huiverden zichtbaar. Inderdaad, het vooruitzicht gegrepen te worden door een oude gek was niet aanlokkelijk.
״Hebben jullie de dokter geroepen?”
״Waarom? Hij is nou kalm. Hij grient omdat ie bang is dat ie nou weg mot. Dat ze vrouw ook op straat komp.”
״Heeft hij dat gezegd?”
״Ja.”
״Heb dan net zo’n medelij met hem als ik. Wat kapot is kan nieuw worden gekocht, maar zijn arme verstand niet.”
״Nee,” zei Carolien en begon te huilen.
Er was een bres.
״Juffrouw Inge heb de bene genome. Gelijk heb ze. Ik gaat ook als dat zo blijf.”
Het was het tweede salvo van de keukenmeid.
״Het blijft voorlopig zo, Anna,” zei ik. ״Totdat hun huisje is afgebouwd. En dan, heb je wel eens gehoord van naastenliefde?”
״Iedere zondag,” giechelde Jopie. Zij is kerks, ze spotte niet. Het waren haar zenuwen, dacht ik.
״Welnu, bewijs jullie je naastenliefde. Alleen er over horen en lezen is niets. Totaal niets.”
Ik werd driftig, het was geen komedie. Dat voelde ik,
146