״Nee, meneer Levano. Mijn broer komt uit Israël.”
״Aha, ik wil uw broer graag eens ontmoeten.”
״Waar wenst u hem te zien?”
״Kom, kom Sara, niet zo officieel. Bij mij thuis na-tuurlijk.”
Ik was haar chef en volgens haar opvatting bleef ik dat ook buiten kantoortijd. Sara dacht onvrouwelijk militair.
״Op welke dag en welk uur, meneer Levano?”
״Laat eens kijken. Het is nu woensdag. Vrijdagavond? Ja, vrijdagavond komt u beiden bij mij dineren of hebt u bezwaren?”
״Ja, meneer Levano. Wij zijn orthodoxe Israëli’s.”
Ik keek verrast op. Sara beantwoordde mijn blik met koele ogen, bijna vijandig. Daarom dwong ze mij te vragen:
״Hebben de Israëü’s ons, liberale Joden, afgeschre-ven?”
״Ook bij ons leven liberale Joden en Arabieren, Dru-zen, Christenen.”
Volkstelling. Inventarisatie. Gideon Levano be-hoorde bij de groep minderheden.
״Het spijt mij dat u niet komen wilt,” zei ik stroef.
Nu keek ze mij doordringend aan met haar prachtige ogen.
״Misschien wilt u bij ons komen eten, meneer Levano, tenzij u bezwaren hebt tegen kosjer,” antwoordde zij sarcastisch.
״Kosjer is in de twintigste eeuw een paskwil,” beet ik haar toe, want ik wilde haar kwetsen.
״Kosjer is een hoofdstuk in de wet en de wet is on-deelbaar.”
144