japonnetje. Pink en ringvinger miste zij aan haar rechter-hand, op haar linkerarm grijnsde een blauw nummer.
Sara van Colmar was in mijn kamer.
Waarom was zij om mij heen? Deze vrouw, die ik nog nauwelijks bekeken had. Of had mijn onderbewustzijn veelvuldig gekeken, was zij geplaatst in het micro-archief als een voorlopig laatste beeld?
Ik klemde mijn kaken opeen, ik wilde aan deze vrouw niet denken. Zij was mijn secretaresse, meer niet.
Maar haar ogen waren amandelvormig, haar wenk-brauwen scherp getekend, heur haren blauwzwart met wat grijs er doorheen. Haar figuur... Sara van Colmar, zij was de Egyptische.
Er trok iets samen in mijn hoofd. Ik had pijn en was wat duizelig. Met moeite zat ik rechtop in bed. Toen stapte ik er uit, liep wankelend naar de balkondeuren. Ik wierp ze open. De nacht pakte mij. Koud en klaar. Het beeld was verdwenen, het microarchief was geslo-ten. Ik stond op het balkon boven mijn tuin.
Een paar dagen later bracht Sara van Colmar mijn koffie. Zij beschouwde mij aandachtig, terwijl ik proefde en goedkeurend knikte. Ik wist dat ik haar weer teleur-stelde, zij wachtte gespannen op de dag, dat de dikke kantine-moeke de fout van haar leven zou maken en de koffie van de baas verprutsen, maar ook vandaag was de koffie van moeke goed en Sara zou dus nog niet worden benoemd tot opperste koffieschenkster van farao Gideon. Farao, ik glimlachte en dacht aan mijn droom.
״Mag ik nu uw post opnemen, meneer Levano? Ik wilde graag een paar uur vrij vanmiddag?”
״Dokter?”
143