Een man uit Perzië, een vrouw van Moab, zij leven in mij.
Een man uit Toledo, een vrouw uit Carcassonne, zij leven in mij.
Een man uit Noorwegen, een vrouw uit Vlaanderen, zij leven in mij.
Een man uit Bourgondië, een vrouw uit Marseille, zij leven in mij.
Een man uit Rotterdam, een vrouw uit Rotterdam, zij leven in mij.
Mijn vader de Jood, mijn moeder de christin, zij leven in mij.
De Egyptische. Amandelvormig zijn de ogen, scherp getrokken de wenkbrauwen, blauw glanzend zijn de haren. Het lichaam is slank en teer, welgevormd, ge-accentueerd door het batisten hemd. Kuis en zinnen-prikkelend.
Ik wentelde even onrustig het hoofd. Ik probeerde te ontvluchten. Zocht hulp bij vrouwen die ik had gekend. Probeerde te denken aan naakte Thea, aan naakte Carla, aan naakte Sonja, maar ik was te oud. Vrouwengestalten wonden mij niet meer op, ik zag slechts hun vermoeide gezichtjes, de rimpels, de grijze haren in het kapsel, de spataderen op de kuit, de gezwollen buiken en de han-gende borsten. Zo was het goed. Geen vlees meer. Geen strelende handen in mijn nek, geen geloken oogleden met daarachter de wellust.
De Egyptische kwam terug. Ik wilde haar niet zien, ik wilde niet schaamteloos een moeder uit mijn geslacht zien.
Zij bleef om mij heen, steeds duidelijker, steeds men-selijker werd zij en opeens zag ik haar in een eenvoudig
142