״Wanneer hij genezen is, daar, dan zal hij op een dag zelf die pyjama verbranden en de as in de wind ver-strooien.”
״Geloof ik niet. Exodus noch het boek Esther hebben wij verbrand. Wij Joden, herinneren ons graag al onze ellendes. Wij zijn er blijkbaar aan gehecht. Ook Joab Da Fonseca.”
Alphonse de Villeneuve keek mij lange tijd aan. Meel bedachtzaam trok hij aan zijn sigaar.
״Waarvan beschuldigt de heer rechter-commissaris mij nu?” vroeg ik uitdagend.
״Jij bent geen Jood, Gideon Levano. Jij bent een anti-semiet.” Hij zei het met een innig welbehagen.
Ik boog m’n hoofd en ik zag m’n moeder, de goie, op haar doodsbed.
Om drie uur werd ik wakker en voelde de suizende stilte van mijn slaapkamer. Het was helder in mijn hoofd en tegelijkertijd droomde ik. De handen onder mijn hoofd gevouwen. Een mens alleen met zijn microarchief, met alle herinneringen uit zijn leven, met alle herinneringen van de voorouders. Tienduizenden jaren, miljoenen ge-beurtenissen, handelingen, gedachten, meegestroomd in het bloed, generatie na generatie, vanaf de tijd der eerste mensen. Een archief onvoorstelbaar klein, onbegrijpe-lijk gevuld...
De meisjes en de vriendinnen. Thea en de held. En de nieuwe heer met zijn schaapjes. En Joab als Jood en Sturmbannführer. En Alphonse de Villeneuve gearmd met Calvijn op bezoek bij Josua van Nazareth.
Een man, een Assyriër, een vrouw met een klassiek Flgyptisch gezicht.
141