״Ben ik een dwaas geweest?”
״Nee.” Snel bewogen de kauwende kaken en de vin-gers friemelden weer het vettige weg. Zijn vaste en irri-terende gewoonte.
״Ik laat naspeuren waar hun geld en goed is gebleven.”
״Uitstekend.” En hij smakte wat luidruchtig.
״Ik laat een huisje voor ze bouwen.”
״Prachtig. Waar?” Eerste slok van het derde glas wijn.
״Hier in Wassenaar.”
״Waarom niet in Israël?” Driftig aftippen van zijn sigarenas.
״Wat moet Israël beginnen met deze twee wrakken?”
Hij schoot naar voren, zijn sigaar stak in zijn mond als een gerichte mitrailleur. Toen blies hij er een grote wolk tabaksrook langs en zei grimmig:
״Israël zal ze piëteitvol verplegen en ze zullen daar rusten in eeuwige aarde.”
״Als ik je goed begrijp, moet ik dat huisje daar laten bouwen?”
״Niet zo maar een huisje neerzetten, nee, een kleine boerderij op een goed stuk grond.”
״Twee oude mensen, die van boeren niets en niets af-weten?”
״Koop ze dan in, in een kibboets of een collectieve boerderij. Misschien is er nog wel een andere vorm. Maar als je iets doet, doe dan iets goeds. Daar zal hij genezen.”
Ik voelde me licht geraakt door zijn woorden. In mijn ogen had ik toch al iets goeds gedaan. Ik zei:
״Besef jij wel hoe ziek hij is? Die vertoning met de pyjama bij voorbeeld en die toespraken? Ik heb Reina gevraagd dat ding te verbranden, maar ze keek me net aan of ik haar tot een kindermoord wilde aanzetten.”
140