Hij glimlachte en wees naar zijn pyjama.
״Zo?” vroeg hij.
״Nee natuurli j k,” zei Reina. ״Je trekt j e mooie pak aan. ”
״Dat doen we,” zei hij en stond op.
״Tot straks, Joab.”
Ik verliet de kamer en daalde langzaam de trap af. Deed ik nu ook een mitswe door deze zwakzinnige, die weer eens een helder ogenblik beleefde, aan mijn tafel te nodigen? En hoe kwam hij aan die kamppyjama? Toen ik hem die nacht had weggehaald, was hij gewoon gekleed geweest. Had Reina, die een paar dagen later hun lijfgoed ophaalde en de demonwoning sloot, die pyjama toch weer meegenomen? Er moest in Reina een groots moedergevoel sluimeren. Haar echtgenoot, haar enig kind, de zoon die zij liefhad, mocht een gevaarlijk speelgoed behouden. Met een diepe zucht opende ik mijn werkkamer. En beval Inge te dekken voor het diner. Zij knikte. Beheerst. Maar de blik in haar ogen kondigde aan, dat zij binnenkort vertrekken zou.
Aan Alphonse vertelde ik het geval Joab Da Fonseca. Hij zat goedkeurend te knikken, wrijn te drinken en blokjes kaas onder zijn generaalssnor te steken, terwijl ik verslag uitbracht. Daarna opende hij de instructie en begon een scherp kruisverhoor. Toen hij voldoende was ingelicht, stak hij een sigaar op en bleef zwijgen. Na een halve sigaar en een tweede glas wijn vroeg ik een beetje ongeduldig:
״Is het toegestaan een vraag te richten tot de heer rechter-commissaris ?”
״Toegestaan.” En met smaak stak hij het zoveelste stukje kaas in zijn mond.
139