״Het zal branden. Het zal stinken naar geschroeid vlees. Zwarte wolken zullen over de kale, dode aarde zweven. Er zal eenzaamheid zijn, grauw en donker zal het zijn. De eerste dag. Aan ons is de eer, mensenkinderen. Aan ons is door de Schepper de eer gegeven om Zijn schepping te vernietigen. Denk... Denk... Denk. Van de ochtend tot de avond. Wee u, die tracht iets te schep-pen, wee u... wee u.”
Ik wees naar een bosje sierlijke berken.
״Joab, kijk naar de zilverwitte stam. Het is een lust voor het oog. Naar de fijne twijgen met de smalle kleine blaadjes. Hoe sierlijk is dat gemaakt. Kijk goed, loab. En naar die kastanje met zijn blad als een zegenende hand. En daar, Joab, die geweldige beuk, een macht Dat is leven, Joab. God is leven!”
״Aan die boom hangen lijken, man. Die vent daar heeft aardappelen gestolen uit de keuken en die vent daar gapte een brood en dat wijf daar heeft haar kind ver-borgen en dat oude mannetje bleef maar bidden en die lange daar met zijn kin op zijn borst droeg een bril. Ik wil niemand zien met een bril. Alle brillen ophangen! Nekschutters aantreden! Zoem,zoem,zoem, zoem. Een, twee, een, twee, een, twee... in rijen van acht, voor-waarts jullie zwarte kogelgaten, voorwaarts regimenten, ik houd van jullie, kogelgaten, legers kogelgaten, lieve le-gers kogelgaten.. .stip,stip,stip,stip, een, twee, een,twee!”
Met zijn wijsvinger prikte hij in de lucht op de maat. Iedere prik was een kogelgat, een slachtoffer door een nekschot. In zijn vreselijke waanzin zag hij onafzienbare rijen zwarte kogelgaten.
Ik transpireerde een beetje van ontzetting en een lichte angst. Deze man was reddeloos. Ik keek achter zijn
136