was de tweede keer, sinds de verschijning van Elsje, mijn dochter.
Vele van onze dagen zijn bewusteloos. Dan werkt men en eet en drinkt en slaapt. En andere dagen leven.
Toen ik thuis kwam, uitgehuild en niet meer wee-klagend over mijn leven, vond ik mijn huis in rep en roer. In de hall werd ik als het ware besprongen door Inge. Zij gilde bijna:
״Ik blijf hier niet... Ik blijf hier niet... onder één dak met een gek. Die wordt nog eens m’n dood... Ik ga naar de politie. Het is allemaal uw schuld... en u trekt er maar uit enne... enne... ik zit met de rotzooi... met een gek en een oud wijf.”
Inge Jansen was weer eens eerlijk het volksmeisje.
Ik wilde juist mijn stelling tegenover haar betrekken, toen boven op de gaanderij rond de hall Reina Da Fon-seca zich over de leuning boog. Zij snikte en wenkte mij. Zwijgend besteeg ik de trap, keek even naar beneden, naar mijn huishoudster die mij nastaarde. De blik van het publiek voor de brandweerman, die iemand gaat redden.
Ik trad binnen in de grote achterkamer aan de tuin-kant, die ik Reina en Joab als zitkamer had afgestaan, totdat hun eigen huisje gereed zou zijn. Joab Da Fon-seca stond midden in de kamer. Weer in zijn concentra-tiekamppyjama, de gele Jodenster als een uitdaging en een brandmerk op de linkerborst. Hij bracht met de rechterhand de Hitlergroet, riep:
״Heil Satan, onze Führer, zij van Maidanek, zij van Treblinka, zij van Auschwitz en van Bergen-Belsen groeten u. Mijn Führer, ik meld u de compagnies des