schoentjes waren? Van nummer vier of nummer acht was het de mond of de neus. Van nummer vijf het vro-lijke gebabbel, van nummer negen of was het nummer zeven, de diepe ernstige intelligentie. En van nummer tien, beslist zeker nummer tien, waren het de handen, die smalle handen met de slanke elegante vingers, die het haar vluchtig konden schikken op een bijzonder gracieuze manier.
Tien meisjes, tien vage herinneringen. Tien meisjes, die voor mij nooit oud geworden waren. Al was Hen-drika grootmoeder van achttien kleinkinderen, hier in mijn kantoor was ze weer Henny en danste met de anderen. Eén, twee, hop! Eén, twee, hop!! Het nylon-been, het chique schoentje. Eén, twee, hop, één, twee, hop...
Hoeveel leefden er nog? Wie was invalide? Wie vocht tegen een chronische armoede en een luie kerel? Wie betreurde er kinderen? Wie werd geduld bij een kijvende schoondochter of een broeierige schoonzoon? Wie had een blijde levensavond, samen met een welgestelde ploeteraar? Eén, twee, hop. Eén, twee, hop, hoog op dat been, Henny en Ella en Klaart je en Hansje. Hier zit Gideon Levano, de rijke bankierszoon, die zo walgelijk vervelend en kieskeurig kon zijn. Maar ook zo lam-lendig schuchter door oma Judiths opvoedmethode en de bedreigingen door meester Cohen van de joodse school, die met vervoering uitgalmde, dat God alles zag, speciaal vrijende, tastende jongelingen. Troost jezelf meisjes, wat Gideon Levano jullie heeft aangedaan is gewroken. Hij is alleen. Zijn vrouw en kinderen zijn vermoord. Voor wie er in gelooft, is de God der wrake, de God der wrake geweest. Kom, verdwijn nu met jullie
128