Hij bood me zijn glas afwezig aan. Ik vulde het. Toen hij het weer opnam, trilde zijn hand.
״Als ik niet bedelde om Zijn gunst, was ik een ho-vaardig mens,” zei hij.
״Nee, je had dan onvoorwaardelijk vertrouwen in het Opperwezen. Het woord godsdienst kan je rustig ver-geten. Hij verlangt geen dienst. Blijft dus over God. Dat ene woord is voldoende. God. Zeg het, herhaal het, buig het hoofd, gooi alle boekjes met de routinegebedjes maar in de kachel, laat Mozes en Mohammed en Boeddha en de heren van hun gevolg maar uit en blijf alleen thuis, in je tuin en op je werk met God, de Enige.”
Ik had mij eerlijk en heftig opgewonden. Het deed mij goed. Alphonse staarde mij aan of ik een ruimtemanne-tje was.
״Dus... dus je bent wel gelovig, je bent godsdienstig,” riep hij verrukt uit.
״Dienst moet er af, heb ik je gezegd. Kom Alphonse, mijn hoofd staat niet meer naar schaken. Laten we wat gaan wandelen, het is een prachtige avond.”
Zwijgend volgde hij mij naar buiten. Wij keken op naar de sterren in de nachtblauwe oneindigheid en al kijkende, werden wij steeds nietiger.
״God,” prevelde hij, steeds naar de hemel starende.
״Je bent er Alphonse. God, zonder meneer Mozes en meneer Augustinus en de heren Luther en Calvijn. God in Zijn machtige Eentje.”
Wij drukten elkander zwijgend de hand en gingen uiteen. Hij liep wat gebogen.
De woorden van Alphonse schoten me te binnen, toen ik de volgende morgen in mijn kantoor zat...
126