״Maar, Gideon, een dochter uit het huis Lopez Suasso vergeet niet gauw iets.”
Zij opende haar versleten tasje en reikte mij een brief. Hij voelde wat verend aan en daardoor wist ik dat er bankpapier in zat en ik wist ook, dat Reina Da Fonseca-Lopez Suasso mij het geld terugbracht, dat ik op haar fruitschaal had neergelegd.
״Ik zal deze brief vanavond lezen, Reina.”
Spel. Maar spel met allure. Ik beleefde een der weinige ogenblikken, waarop het prettig is tot de Sefardim te behoren.
Zwijgend opende ik de deur naar de hall. Daar ston-den mijn huishoudster en het eerste meisje Carolien met Reina’s mantel, sjaal en hoed. Ik nam de kleren over, ik wilde Reina persoonlijk helpen. Inge boog even en ver-liet met Carolien de hall. Ik opende de deur. Buiten in de vallende schemer van de augustusavond stond het glanzend zwarte beest, mijn Cadillac. Hij zou Reina op-slokken en met haar wegsuizen.
Reina stond onbeweeglijk. Toen keerde zij zich om. Keek de hall rond en nam alles in zich op. De grote Friese stoeltjesklok met de vonkende koperen gewich-ten, de antieke gobelinstoel, de commode met de blaker en de tondeldoos, de zesarmige kaarsenkroon, het effen Chinese kleed, de schouw met de vuurkorf en de hout-blokken, de tinnen borden en kroezen langs het fries. De blaasbalg, het Venetiaanse spiegeltje. Ik volgde haar blik. Dit alles was ook in het huis geweest van haar vader, de diamantair Lopez Suasso, omdat een voor-naam gemeubelde hall traditie was bij ons Sefardim.
En ik keek weer naar dit in het zwart geklede hoopje mens en ik zag het versleten hoedje, het goedkope
119