mogelijk terug en van hier naar Amsterdam is minstens 2\ uur.”
״Maak je daarover geen zorgen. Binnen een half uur rijdt mijn chauffeur je terug. Je kunt dus twee uur mijn gast zijn.”
Zij glimlachte en ik zag weer even de jonge Reina Lopez Suasso, de rijke voorname erfdochter.
״Juffrouw Inge, u wilt wel het nodige doen?” Ik wuifde wat nonchalant, mijn huishoudster bekeek mij sprakeloos. Zij had mij altijd gezien met haar wat klein-burgerlijke ogen en niet opgemerkt dat Gideon Levano een afstammeling was van Spaanse adel en een enkele keer nog wel eens commanderen kon op een koele hooghartige toon.
״Jawel, jawel meneer,” zei het volksmeisje Inge Jan-sen, het ruggetje wat gebogen; een felle blos verjoeg de poeder en maakte haar gezichtje boers.
Reina Da Fonseca hinkte naar de deur, die mijn huis-houdster voor haar geopend had en ik zag dat Reina, ondanks haar verval, nog een zekere waardigheid bezat.
Inge verstond haar vak. Waar zij het geleerd had, weet ik niet. Haar hele leven was een mysterie voor mij. Ik hield die gedachte vast en besloot binnenkort eens te beginnen met een onderzoek, want ik geloofde dat er wat verstrooiing in zou schuilen.
In een ommezien brandde overal licht, hoewel zij er anders zo zuinig mee was, dat ik mij er aan ergerde. De twee kamermeisjes verschenen in zwart en wit, een kleurencombinatie die het huishoudelijk personeel sinds enige decennia met afkeer vervult, maar in mijn huis is zwart en wit gala voor de avonden. Zij dekten de tafel met het mooiste linnen, porselein en zilverwerk uit mijn
116