het venster van mijn kantoor, stelde ik vast, dat er alleen maar vrouwen dicht om mij heen waren.
Thea als hoofdvrouw. Zij was bijna mijn tweede echt-genote. Dan Inge, mijn huishoudster. Wat was Inge eigenlijk? Een bijvrouw, een soort slavin? Zij verzorgde dat deel van mijn leven, dat een bijna tweede echtgenote zou moeten doen en waar Thea geen zin in had.
Dan was er nog Enny Karsten. Al was zij vertrokken, haar geest was nog steeds om mij heen. Haar intelligentie was nog niet vervangen. Ik betrapte mij er op, dat ik bij moeilijke zaken mijzelf afvroeg wat Enny Karsten mij zou hebben aangeraden.
Als vierde was nu opgedoken Sara van Colmar. Sinds een week mijn secretaresse. Ze kwam met rasse schreden naar voren en begon toch te tornen aan de herinnering aan Enny. Sara was meer berekenend dan intelligent. Zij begreep iets niet onmiddellijk, pas na ontleding en over-denking. Daardoor was zij stil en niet vrolijk.
Buiten Alphonse de Villeneuve waren er geen vrien-den. Waarmee ik veel verkeerde, waren zakenrelaties, grote kooplieden, die op joviale manier een krediet hoopten los te praten, en kleine zakenmannetjes, die be-nauwd en onderdanig om een kredietje fleemden.
En mijn levensdoelen. Ik herinnerde mij die niet meer. Misschien had ik ze nooit bewust gehad.
Ik beheerde een bankbedrijf, dat mij veel geld op-leverde. Wat deed ik met dat geld? Een deel gebruikte ik om comfortabel te leven. De rest potte ik op. Voor wie? Voor niemand, mijn kinderen zijn er immers niet meer. De spaarpot komt na mijn dood aan liefdadig-heidsinstellingen, die tot nu toe alleen maar een naam voor me zijn of vervelende vleierige regenten en regen-
IIO