״Hoe lang wil de werkbij Sara van Colmar honing puren uit de bloem Gideon Levano & Zonen,” vroeg ik scherp. Zij glimlachte.
״Tot ik voldoende heb opgezogen, tenzij voor die tijd m’n vleugels zijn stuk gevlogen, het lot van een werkbij.”
״Betekent onze honing iets voor Israël, mevrouw Van Colmar?”
״Heel veel.”
״En als de Arabier de korf leeg graait?”
״Wee de mens, waarop een boos bijenvolk neerstrijkt.”
Ik keek haar opmerkzaam aan. Haar gezicht stond nu hard. Zij hield nu haar rechterhand met de ballpen tegen de borst. Ringvinger en pink ontbraken. Ik tuurde, zij bleef onbeweeglijk en zwijgend.
״Waar ?”vroeg ik.
״Bersheba”.
״Hoe?”
״Ik ben het vergeten.” Het klonk zo afgebeten, alsof ergens een grendel werd voorgeschoven.
Lang keek ik haar recht in de ogen. Zij sloeg de hare niet neer. Ik was de eerste die de blik afwendde naar een brief op mijn schrijftafel. Een circulaire voor de jaar-lijkse collectieve Israël-actie. Had zij die neergelegd?
״U kunt beginnen, mevrouw Van Colmar. Om 4 uur verwacht ik deze post ter ondertekening.”
Zij keerde zich om en liep naar de deur. Van achteren leek zij ouder, wat gebogen, wat vermoeid.
Nog steeds was Alphonse de Villeneuve niet terug van zijn vakantiereis. Ik miste hem. Wanneer ik mijn leven ontleedde, zoals ik nu weer eens deed, zittend voor
109