daarbij en haar wat strenge gezicht werd bekoorlijk.
״Kom, mevrouw Van Colmar. Laten we beginnen,” zei ik en pakte een brief.
״Juffrouw Sara, alstublieft,” vroeg ze.
״Bent U zo gesteld op uw voornaam?”
״Ik ben er trots op Sara te heten en Jodin te zijn.”
Ze keek laatdunkend op mij neer. Ik was in haar ogen iets zwevends, geen Nederlander, maar ook beslist geen Jood.
״U wilt zeker zaterdags vrij zijn?”
״Vanzelfsprekend. Ik had dat al geregeld met de per-soneelschef, maar zondags ben ik tot uw dienst.”
״Zo, zo, zo,” was alles wat ik zeggen kon. Dus dat was allemaal al geregeld. Mijn personeelschef moest ik hoog nodig eens op het matje roepen.
Ik dicteerde, zij noteerde. En vroeg niets. Deze van-zelfsprekendheid beviel mij niet. Terwijl ik de onrede-lijkheid besefte, dat te veel dingen mij de laatste tijd niet bevielen, vroeg ik haar:
״Is er soms iets wat u niet begrijpt? Is alles wat ik u opdroeg abc voor u, mevrouw van Colmar?”
״Oh nee. Een heleboel begrijp ik niet, maar daar kom ik wel achter.”
״Hoe?”
Mijn strenge toon deed haar verbaasd opkijken en weer was er een beetje vrees in haar ogen. Heel diep ver-borgen leefde nog iets van de gettojodin. Zij keek naar de punt van haar schoentjes, toen ze antwoordde:
״Ik zal links en rechts wel vragen. Een secretaresse van de directie weigert men geen inlichtingen. Of ik zal zelf wel opzoeken. Dat is wel de beste methode,” voegde zij er haastig aan toe.
108