brief. Toen ik opkeek, stond niet de sex-bomb voor mijn bureau, maar een tamelijk jonge vrouw. Ze keek mij een beetje bevreesd aan. ״Uw nieuwe secretaresse, meneer Levano,” zei ze met een bijzonder welluidende stem.
״Uw naam?”
״Sara van Colmar.”
״Sara van Colmar? Hoe is uw roepnaam, juffrouw van Colmar?”
״Sara,” zei ze kortaf.
Zij legde blijkbaar opzettelijk haar linkerhand, die het stenobloc vasthield, op haar borst. Ik zag het blauwe nummer van het concentratiekamp op haar onderarm. Ik knikte begrijpend.
״Van Colmar... geen Rotterdamse naam,” zei ik.
״Nee. Wij woonden in Limburg, in Maastricht.”
״Hoe oud bent u?”
״Tweeënveertig.”
״Weduwe?”
״Jawel, tweemaal.”
״Israël?”
״Ja. Mijn tweede man sneuvelde in Jeruzalem, op de dag dat Israël weer een staat werd. Het klinkt melodra-matisch, maar het is de waarheid.”
״Wanneer kwam u hier terug?”
״Verleden jaar.”
״Waarom?”
״Wij kennen niet genoeg, vooral niet van het moderne bankwezen.”
״En wij worden er toch nog steeds van verdacht de haute finance te regeren,” zei ik wat geamuseerd.
״Het antisemitisme is achter. Zij zijn pas aan de tijd van de Rothschilds,” antwoordde zij. Ze glimlachte
IC>7