Nu is televisie een van mijn vijanden, net als de radio. De radio is het met Channah’s hulp toch gelukt bij mij binnen te dringen, maar deze vijand is net zo verzwol-gen als de Mongolen door de Chinezen. Mijn radio houdt zich onderdanig aan de regels van mijn wil en mijn huis. Maar televisie? Ik wens de straat niet in mijn huis. Na mijn thuiskomst sluit ik de wereld buiten mijn woning. Ik wil geen avondontspanning, die bestaat uit op filmband vastgelegde ongelukken en rampen. Ik heb een afschuw van de geesteloze komieken en weinig waardering voor de hebzuchtige, snabbelende acteurs, die niet meer tevreden zijn met het applaus van een gees-telijke elite en een jaren durende groei naar het meester-schap. Ik weet dat ik ouderwets ben, maar ik kan geen lof hebben voor een kunstenaar, die zich op de top ge-komen acht door de herkenning van een taxichauffeur of een naaistertje op straat en de woorden: ״Wat was u weer enig gisteravond’.
Ik antwoordde mijn huishoudster:
״Juffrouw Inge, die oude heer in toga kan ik niet toe-staan televisie in mijn huis te plaatsen.”
״Het is zijn lantarentje, meneer Levano.”
Ik werd opmerkzaam. Deze kant van mijn huishoud-ster was nieuw voor mij. Had zij dan toch een geestelijke achtergrond, zelfs humor en was ze dus niet alleen maar gestroomlijnde sex? Mijn belangstelling was gewekt.
״Juffrouw Inge, ik waardeer uw vergelijking, maar waarom doet de Tijd zo vervaarlijk met zijn zeis?”
Ze sloot de ogen en leunde achterover in haar bergère. Met een vlugge beweging streek zij haar rokje zover mogelijk over haar knieën. Waarom? Wilde zij niet, dat ik naar haar benen keek, terwijl ze mijn blik nu niet con-
104