zijn tijd.” Zij nipte aan haar glas, ik heb haar nooit zien drinken.
״Men moet leven met zijn tijd,” sprak ik haar na. ״Maar wanneer die tijd geen aanknopingspunten heeft hoe moet men er dan mee leven?”
״Tegen hem aanspringen, hem beetpakken,” zei ze en glimlachte.
Ik keek haar opmerkzaam aan. Ze was weer van top tot teen verzorgd en nu ze glimlachte en het even vonkte in haar ogen, was ze bijzonder aantrekkelijk. Peinzend antwoordde ik:
״Dus u bedoelt, dat ik me energiek moet aanpassen.”
״Natuurlijk. Hoe zou u de Tijd kunnen dwingen zich aan u aan te passen. Zelfs de meest geharde dictator kon de Tijd niet tegenhouden. Dat is een eigenwijze, die ouwe baas met zijn zeis en zijn lantarentje.”
De Tijd was voor mijn huishoudster zichtbaar ge-worden door de 31-decemberplaatjes in de kranten en weekbladen. De Tijd, dat was die oude heer in toga met zeis en lantaren. Met zo iets visueels kan een mens dus leven.
״Hoe kan ik beginnen met mij aan te passen, juffrouw Inge?”
Zij stond op en nam tot mijn verbazing mijn lege portglas en de blokjes kaas weg. Zij verliet de kamer en kwam snel terug met een glas vruchtesap.
״Voila,”zeize. ״Hier is een contact. Port is ouderwets.”
Ik moet wel dom hebben gekeken, want zij lachte mij letterlijk uit, hetgeen me hinderde.
״Een tweede contact,” vroeg ik.
״Als u het goed vindt, zal ik morgen televisie laten aanleggen.”
103