troleren kon, of wilde zij dat ik er nu juist wel naar keek? Vreemde gedachten voor een oude man, terwijl hij wacht op een wijsgerig antwoord van zijn huishoudster.
״De zeis,” prevelde zij, ״de zeis... die is een leugen. De Tijd maakt niets weg.”
״Wat doet hij dan?”
Nu keek ze mij aan. Haar slanke vingers plukkend aan de armleuningen.
״Hij zit ergens langs de weg en alles wandelt aan hem voorbij, de mensen met hun herrie en hun heibeltjes.”
״En de dieren en de planten?” vroeg ik.
״Dieren en planten kennen geen Tijd. Daarom heeft de Tijd ook geen macht over hen.”
Ik knikte een paar maal nadenkend, maar kon het niet eens zijn met haar stelling, dat de Tijd geen macht over planten en dieren zou hebben.
״Panta rhei, alles vloeit,” zei ik.
״Latijn?” vroeg zij.
״Grieks. De Grieken zagen alles voorbijvloeien als een rivier. Maar u ziet de Tijd ergens langs de weg zitten. Vertel me eens, wat doet hij, wat zegt hij tegen die men-sen met hun heibeltjes?”
Ze lachte opeens wat giechelend en antwoordde:
״Het is net een drukke Italiaanse film, meneer Levano. De Tijd zegt tegen de mensen: Nou, ik heb het gezien, ik heb het gehoord, jullie zijn zo en zo oud en over honderd meter ben je dood.”
״En hoe komen die doden verder? De rij dringt toch steeds op?”
״Die doden zijn niet echt dood. Hun ziel wordt zicht-baar.”
״U gelooft in het eeuwige leven van de ziel?”
ï°5