Ik keerde terug naar Wassenaar. Vroeger dan gewoon-lijk was ik thuis. Rusteloos liep ik door mijn tuin, ruste-loos drentelde ik in mijn werkkamer. Nam boeken ter hand en plaatste ze weer terug in de schappen.
Ik doorliep mijn woonkamer, mijn ontvangkamer. Bekeek hier en daar een beeldje of een stukje zilver, streek met mijn hand over de kussenkast, tikte in de hall tegen een schilderij, dat een paar millimeter scheef hing. Ik hoorde in de keuken de stemmen van mijn huishoud-ster en de meisjes. Er werd gelachen.
Ik wilde deelnemen aan dat leven. Keek daarom door een kier naar binnen. Men zweeg. Waarom? Straalde ik iets onheilspellends uit?
Ik bestelde een aperitief om toch vooral van mijn ge-wone menselijkheid te getuigen tegenover hen en mij-zelf.
Inge, mijn huishoudster, serveerde witte port.
״Kom mij wat gezelschap houden,” vroeg ik haar.
Verwonderd keek ze mij aan. Ze was niet gewend dat ik haar uitnodigde. Soms kwam ze schuchter ’s avonds eens bij mij zitten. Dan zat ze te lezen, maar ik wist dat haar gedachten er niet bij waren, dat zij gespannen mijn stemming peilde. Ik zei:
״Ik was in Amsterdam.”
Haar verwondering steeg. Nooit vertelde ik waar ik heen ging of wat ik deed.
״Een mooie stad,” antwoordde zij plichtmatig.
״Ja, maar vervallen. Meer en meer wordt ze stukge-ramd door het verkeer. Er zal een tijd komen dat de bulldozers zullen moeten doen wat de bommenwerpers Rotterdam aandeden.”
״Dat zal dan zo’n ramp niet zijn. Men moet leven met
102