Ik doolde weer door een stad, maar anders dan in Rotter-dam. Daar lag mijn leven en dat van mijn geslacht, hier was slechts de geschiedenis van het volk, waarin wij drie en een halve eeuw geleden werden opgenomen en al dwalende zag ik het verval van een grootmacht, uitge-drukt in gescheurde en door boomstammen geschoorde huizen of op straathoeken resten van patriciërswoningen. Ik zag miniatuurfirma’s samen krioelen in huizen van burgemeesters en schepenen, uitgewoond, uitgeleefd, vertimmerd.
Voorbij was de verovering der wereld. Voorbij was de tijd der stapelmarkten. Voorbij de geldmacht van Amsterdam en het ergste was het uitsterven van de groot-koopliedengeslachten, die hard en ondernemend waren. Voorbij. Tegen de ontluikende werelden van Afrika en Azië, van Australië en Zuid-Amerika, was Amsterdam slechts een vlek. Tegen hun groeiende menigte kan dit volkje niet meer op, voorbij. Ik betrapte mij er op, dat ik ontroerd staarde naar de toren van de Oude Kerk, naar het Raadhuis op de Dam. Eens de ziel van deze stad en voor tien miljoen verkwanseld. Geld, bezit, hebben. Het werd de belijdenis van een volk, dat in zijn gouden tijd een groot gevoel voor kunst en tra-ditie bezat. Waarom deze gedachten? Was het, omdat ik eigenlijk liep te sterven? Was het, omdat ik het gevoel voor eigen tijdperk verloren of nooit bezeten had? Was het nostalgie naar een verteld verleden, naar een wereld van schilderijen? Was het binding met een voorouder, die in mij leefde en weende om een wereld die onderging in mijn tijd? Verleden tijd, nooit zal hij terugkeren, eerder zal een vloed dit land overspoelen.
IOI