want wij hebben niets nodig. Wij, Da Fonseca’s, zijn rijk... en trots meneer. Maar God zal u een ander aan-wijzen. U moet toch goed kunnen doen. Ja, want als u geen goed kunt doen, omdat er geen objecten zijn, dan is het Opperwezen een spelletje met u aan het spelen... maar er zijn er nog genoeg.”
Ik herkende in zijn felle aanklacht mr. Joab Da Fon-seca, een pleiter die langzaam maar zeker naar voren kwam bij de balie. Ik antwoordde:
״Ik ben blij u in goede welstand te hebben aangetrof-fen, meneer Da Fonseca. Ik zal dat rapporteren aan mijn opdrachtgevers.”
Hij maakte een minzaam wuivend gebaar met zijn rechterhand en riep:
״’t Is goed, ’t is goed. Ga nu maar meneer. Wel thuis.”
Reina had hem met zachte drang weer in de andere kamer gebracht en sloot de deur achter zich. Ik was alleen. Snel nam ik wat bankbiljetten uit mijn porte-feuille en verborg die onder de appeltjes.
Reina kwam spoedig terug. Ik vroeg:
״Fleb je hem zo teruggekregen?”
״Nee. In Parijs in 1945 vonden wij elkaar weer. Hij heeft mij eerlijk gezocht, dagenlang heeft hij transport na transport afgewacht en op een dag, ja toen viel ik ge-lukkig in zijn armen. Maar langzaam is het gekomen, met het wegsmelten van ons laatste bezit, steeg zijn mesjoggaas. Kan een gekke advocaat ooit weer een praktijk opbouwen, Gideon?”
Ik schudde ontkennend het hoofd en wist op dat mo-ment geen antwoord. Langzaam liep ik naar de deur. Ik had gezien en meebeleefd. Ik wilde deze verschrikkelijke
99