zijner stad zenden, en nemen hem van daar, en zullen hem in de hand des bloedwrekers geven, dat hij sterve.”
„Is Gods woord zó hard, Anne Mallandain?”
„Ja... En uw oog zal niet verschoonen: ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.”
Zij sloot de Bijbel, vouwde haar handen en deed de ogen toe.
Meer dan een uur was het stil. Zo nu en dan verroerde hij zich om de pijn van de touwen en het verstijven van zijn ledematen. Toen sloot hij de ogen en zei:
„Luister naar mijn levensverhaal, Anne Mallandain. Of er haat is geweest in mijn leven en of ik verrot was tot in m’n ziel.”
„Ik luister.”
En hij vertelde van zijn moeilijk leven als wees in een hard land. Van zijn geschiedenissen met de boerenmeisjes, van zijn cowboywerk, dat nooit lang duurde bij de verbolgen vaders. Hij vertelde van zijn verlangen om naar Chicago te gaan en om daar te handelen in vee; en groot te -worden in een groots land. Zij glimlachte soms om zijn vertelling, totdat zij denken moest aan Steve; met het geronnen bloed en het kogelgat in het voorhoofd. En Lynn Hopkinson zag haar hatende ogen, zodat hij ophield met vertellen en moest denken aan de galg.
Zij droomde, dat zij weer jong was en trouwen ging met William Mallandain. En het altaar werd een schavot, waarop een galg stond. Zij en haar man keken er naar; hoe Lynn Hopkinson de ladder opklom en de beulsknechten waren de boeren uit de vooravond. En Lynn Hopkinson was opeens Steve, haar zoon; en riep haar toe: zie moeder, ik pluk de ziel van Lynn Hopkinson, want er is ziel om ziel. En de galg werd een boom... de boom des levens in de Hof van Eden.
Zij schrok wakker. De nacht was verstreken, de dag naderde over de prairie. Het eerste grauwe licht viel over de slapende Lynn Hopkinson; zijn hoofd wiegelde onrustig en hij kreunde