Mallandain, die het bloed afwies en het hoofd afwendde. Want de moordzucht der rechtvaardigen was in hun ogen.
Toen daalde de nacht over de prairie.
Zij zat aan haar tafel en voor haar lag de Bijbel. Zij had haar ijzeren brilletje weer op en staarde in de vlam van de kaars, die schaduwen wierp op de muren. Groot, onaards en luguber. En het gezicht van Lynn Hopkinson was in de schaduw en het was als een ogenloze doodskop, zo strak stond het vel door koorts en vermoeidheid.
Toen zei hij:
„Het spijt me, Anne Mallandain, maar er was geen keus. Twee dagen voor zijn dood schoot hij rakelings langs mij heen.”
„Geloof ik niet. Steve had de goede inborst van z’n vader.”
„Die meid van Fort Wilson heeft me opgestookt. Ze zei: Steve Mallandain loert op je, leg hem neer, want ik wil jou. Ik heb het gedaan, uit angst en omdat ik ziek was van verlangen. Ik heb haar opgeëist, daarna. Zij lachte, want ze trouwde geen moordenaar. Zij is voor altijd blind, daarom jaagt de Sheriff van Fort Wilson óók achter me aan.”
„Heeft zij hetzelfde gezegd tegen Steve?”
„Daarom schoot hij.”
„Mijn God... wat een vrouw.”
Zij zwegen lang. Zij keek naar hem; en zag het knappe gezicht, het dons boven de lip, de chevrons langs de wangen, het krullende haar en de geestige mond. En als hij in het kaarslicht keek, glinsterden zijn jeugdige ogen. Haar blik gleed langs het jonge lichaam, lenig en soepel van beginnend leven.
„Je hebt gemoord, Lynn Hopkinson, daarom zul je worden gebracht naar Wilmersburg.”
„Naar de galg?”
Zij wachtte met antwoorden, omdat zij in de Bijbel bladerde. Toen zei ze: „Ja... en dit is Gods woord: Maar wanneer er iemand zal zijn, die zijnen naaste haat, en hem lagen legt, en tegen hem opstaat en hem aan het leven staat, dat hij sterft, en vliedt tot een van de steden. Zo zullen de oudsten