proces-verbaal, gezeten achter de zware ruwe tafel. Hij rookte een sigaar, die Anne hem gegeven had.
„Nog een beste, Anne,” zei hij mild.
„Van m’n man, nog uit de goede tijd. Wat ben ik gelukkig geweest, Sheriff. Maar dit land is gevloekt... gevloekt met wapens. Kijk naar hun gezichten, wanneer zij hun pistolen liefkozend strelen.”
De Sheriff knikte bedachtzaam, nam een slok whisky, antwoordde:
„Daarom ben ik Sheriff geworden. Ik heb iets kunnen doen.”
Hij blies een dikke wolk tabaksrook uit, staarde haar nadenkend aan.
„Morgen, moeder Mallandain, dan ga ik achter Lynn Hop-kinson.”
Zij knikte dankbaar en schonk hem een verse whisky.
De Sheriff en zijn helpers zochten Lynn Hopkinson, maar vonden hem niet. Hij w'as spoorloos in de prairie. Na drie dagen kwamen zij terug op de Mallandain-hoeve, aten stil en schrokkig het forse avondmaal van Anne Mallandain. Toen zij hadden gegeten, rookten zij hun pijpen: zo nu en dan peuterden zij in hun gebit met spaanders, die zij sneden uit een haardblok. Anne wachtte vol spanning, maar zij zeiden steeds niets. Totdat zij vroeg:
„En Sheriff... is er kans dat mijn jongen wTordt gewroken?”
„Nee... hij is verdwenen. Ook de Sheriff van Fort Wilson kan hem niet pakken: die denkt, dat hij de bergen is ingetrokken. Wij moeten het opgeven, moeder Anne, wde weet hoe er gemoord is in het dorp in de dagen van mijn afwezigheid.”
„Dat kan niet, dat mag niet, Sheriff, dat is niet de bedoeling van de wet. Ik heb recht op genoegdoening... op wraak.”
„Anne Mallandain, alléén de samenleving heeft recht op genoegdoening... alléén zij Wij kennen geen bloedwraak.
152