De halve deuren van de kroeg werden opengestoten. Door een boerin, die armelijk was en oud. Zij steunde met gespreide armen tegen de stijlen, alsof zij gekruisigd was in het deurgat.
„Waar is de Sheriff,” riep zij schor.
Men hoorde haar niet, zo hard werd er geschreeuwd en gelachen. Een muziekautomaat jengelde een straatdeun; de barkeeper was bedrijvig, bukte en herrees achter de toog als een Zwitsers stuk speelgoed.
„Waar is de Sheriff,” riep de forse vrouw opnieuw.
Er kwam geen antwoord. Zij deed een stap in de herberg, de deurtjes vielen achter haar dicht. Even keek zij rond met haar staalgrijze ogen, greep een kruk en slingerde haar tegen de automaat. Het ding sloeg stuk, nog een paar tonen klonken als een stuiptrekking. Nu keek men en sommige mannen hadden hun pistolen getrokken, bliksemsnel.
„Wat wil je van de Sheriff? En vijftig dollar kost je die automaat.”
„Dus je hoorde me, John Gin?” Zij keek fel naar de kastelein, daarom sloeg hij zijn ogen neer.
De Sheriff kwam uit een zijkamer, zijn pokerkaarten nog in de hand. Toen hij haar zag, wierp hij ze op de toog, stak de politiester op z’n loshangend vest.
„Wat is er, Anne Mallandain? Waarom kom je vijftig mijlen ver en in de avond?”
149