„Eerst een bakkie koffie... ik bin vree van de zaligheid.”
En alles kwam op papier. De notaris nam genoegen met het verhaal van Pietje Bonten en keerde het geld uit aan Pleun Bonten en Neel de Groot.
Maar dat was voor de Vissersdijkers niet voldoende. In het openbaar moest Koos in z’n eer worden hersteld.
Bakker Tulp opperde, na z’n zaterdagavondborreltje, het plan om de burgemeester te vragen dat eerherstel door herauten te laten afkondigen voor het stadhuis. Hij was op dat idee gekomen, toen hij een reclameplaat ontving van een koekfabriek, waarop een zeventiende eeuwse trompetter was afgeheeld. Zijn plan vond geen bijval en Hein de Groot zei:
„Niks d’r van. Buite ’t Vissersdiik heb niemand d'r wat mee te make.”
Het eerherstel zou dan plaats vinden in het café om de hoek, dat daarvoor was afgehuurd. Bakker Tulp was ceremoniemeester, de inspecteur zou even komen en ook de notaris, want anders was ’t niet echt.
Bakker Tulp klom op een stoel, toen de heren gekomen waren en de hele straat in het „proeflokaal” geperst stond en riep:
„Meneer de notaris, meheer de inspecteur! Namens ’t Vis-sersdijk en allemaal, die d’r wat mee te make hebbe... me benne hiero om tante Pleun te ere... maar me benne ook hiero om in ’t openbaar te zegge... Koos de Munnik was onschuldig!!”
Hij keek fel rond, in afwachting van tegenspraak, welke niet kwam. Misschien irriteerde hem dat, temeer omdat hij al stevig had gedronken, w'ant dat kwam hem als ceremoniemeester toe. Hij herhaalde dreigend:
„Koos de Munnik, de bult, de schoenmaker was onschuldig!!”
Er steeg een goedkeurend gemompel op, voldaan streek bakker Tulp z’n rossige snor op, hikte omdat z’n laatste borreltje niet goed „zat” en vervolgde:
147