glimlachte weer en verlangde naar Hein, die lysollucht was toch ook niks.
En opeens stond ze voor een kinderbed. Haar mond ging open van verbazing, want in dat bedje lag Pietje Bonten, een neefje van Pleun. Zijn moeder zat bij hem, een en al tranen.
„Neel,” zei de inspecteur, „ze hebben hem hier binnengebracht met zware wonden aan zijn handen en met de dolk. Hij wil niets zeggen, ook niets aan z’n moeder. We dachten, dat hij misschien aan z’n tante Pleun de waarheid wou vertellen.
„Laat mijn allenig mit em,” zei Neel, weer geheel de forse Rotterdamse.
Pietje’s moeder wilde niet weggaan, maar na enige overreding van de hoofdzuster zouden ze dan gedrieën bij de zaaldeur wachten.
„Pietje,” zei Neel zacht, „jö... hoe kom jij an dat mes?”
„Niks.”
„Pietje, niks is niks. Je tante Pleun heb nou verlamde bene. Inene toe ze hoorde, dat jij hiero lag.”
„Gloof ik niks van.”
„Pietje, as je ’t niet glooft, zal ik je met de brangkaar naar de mart late rije. Ken je d’r zien zitte op de bokkum-kissies. Eerst is ze al voor krankjorum verslete en nou ken ze nie meer lope. As jij nou de waarheid zeg, krijg ze geld en ken ze een dokter betale... en anders mot ze naar de bedeling. Nou?”
„Niks,” zei het kind en keerde zijn gezicht af en huilde.
„Pietje, as tante Pleun die cente krijg, zal jij d’r es wat zien.”
„Watte dan?”
„Nou... een sleperskar mit twee paarden en echte baaltjes d’r op. En een zeilboot... enne een voetbal, zo’n nieuwerwetse mit een binnebal. Enne... as tante Pleun rijk blijft maggie meschien van d’r naar de hogeschool. As je groot bin.”
„Wat zou’k daar kenne worde, Neel? Sleepbootkapitein?”
„Nee... dan mot je naar de zeevaartschool. Da ken best van die cente van tante Pleun.”
144