„Mijn wijf drinkt niet met een andere vent, mijn wijf danst niet met een andere vent, mijn wijf is van mijn.”
Zij keek naar de grond, toen zette zij langzaam haar hoed af, ontdeed zich van de halsketting en de oorbellen, snikte en wreef met de mouw van haar schone blouse over de betraande ogen. Hein liep langzaam terug naar z’n stoel, stak z’n pijp weer aan en deed alsof hij de krant las.
Neel de Groot snikte nog lang na, terwijl ze aan tafel zat, onder de petroleumlamp. Verstolen keek ze telkens naar Hein en opeens zei ze onderdanig:
„Zal ik koffie voor je make?”
„Ja,” antwoordde hij, terwijl hij opstond, „onderwijl gaan ik kijke of bakker Tulp nog een paar roomtaaretjes heb.”
Toen zij hem de trap hoorde afdreunen, droogde zij haar tranen, lachte gelukkig en begon driftig van vreugde koffie te malen.
En het werd maandag. Drie uur.
De markt was afgelopen, de visvrouwen waren druk doende met opruimen en schoonmaken, de marktknechten ontrolden reeds de waterslangen om het gebouw schoon te spuiten. Toen kwam er een politieagent met de boodschap voor Pleun Bonten, dat zij onmiddellijk naar het ziekenhuis Coolsingel moest gaan. Pleun staarde hem ontzet aan en begon te huilen.
„Kom nou,” zei de agent, „je gaat niet naar de Noord-singel.”
„Me bene,” huilde Pleun, „me bene ...ik ken niet. Ik ken opeens nie meer lope!”
Daar waren reeds de visvrouwen, Neel de Groot voorop. Ze sleepten bokkingkistjes aan en met veel moeite zat Pleun op een stapeltje.
„Je ken de brangkaar wel hale, diender,” zei Neel fel, „dan ken ze rije naar de Coolsingel. Wat hebbe jullie nou weer voor rotzakkerij voor d’r?”
„Weet ik niet. De inspecteur van ’t Haagse Veer is daar. Kan ze komen of niet,” vroeg de agent autoritair.
142