piek! Daarvoor had ik ook wel allenig bij em in ’t donker wille zitte, héé!” en ze lachten veelbetekenend.
Maar Neel de Groot had ze spoedig kalm, ze wist zo het een en ander van vroeger en dat vertelde zij aan ieder, die maar luisteren wilde. Pleun Bonten kon geestelijk maar niet op dreef komen. Dat Koos de Munnik nu door de dolk van Ari was komen te sterven, dat was iets bovenaards. En dat ze zeventienduizend gulden voor haar oude dag zo maar kon grijpen, als ze zijn onschuld kon aantonen... het was allemaal te veel voor de eerlijke eenvoudige Pleun. Ze w'erd nog magerder en was een schim van vroeger.
Het ontbrak haar niet aan raadgevingen en aanbiedingen om samen te doen. Er kwam zelfs een verlopen meester in de rechten een aanbod doen. En de zware jongens tracteerden haar een keer en zeiden:
„Tante Pleun, we bewijzen alles... voor de helft van de cente!”
Maar Pleun weerde allen af en zei, dat ze verstek liet gaan, de centen moesten naar de mismaakte 'wezen. Ze had haar brood en als ze niet meer werken kon, nou, dan moest God haar maar eens in de gaten krijgen en voor haar zorgen. En dat zou Hij zeker doen, waarom wel een gezonde jonge meid te eten geven en niet meer aan een ouwe vrouw, die niet meer werken kan? Men haalde de schouders op, Pleun Bonten was toch niet helemaal zuiver in haar hoofd. Wie sprak er nu zo over geld en over God.
Weken gingen voorbij. Tien weken. In de elfde w7eek was de dolk w'éér verdwenen.
Pleun vertelde het aan Neel de Groot en zei:
„Voor mijn part, dat sekretengalf, niks as ellende. Kijk es hoe ik geworde ben, me hemde en me broek hange as zakke om me lijf. Ik hoop dat ’t nooit meer werom komp. Ik had ’t derek al in de Blaak motte gooie, toe Ari gestorve was, ik hoop datte die paar weke zo om benne... heb ik eindeluk rust.”
140