Ik ken d’r niet meer tege vechte... ik mot ’t neme. M’n cente benne voor de ongelukkige weze... maar as ze ken en wil bewijze da’k onschuldig was, dan heb ze m’n kapitaaltje verdiend. Allenig om m'n nagedachtenis hiero schoon te wasse, allenig daarom... voor God zal ik zelf me woordje wel doen.” Het testament werd gemaakt en met moeite krabbelde Koos de Munnik zijn naam eronder, de getuigen tekenden.
Het was een grote oploop toen de notaris met het geldkistje in zijn rijtuig stapte en opdracht gaf snel weg te rijden, ’s Middags kwamen de zware jongens bijeen in een kroeg en een van hen zei:
„Verrek héé, wie had dat nou gedacht van die bult. Zo voor ’t grijpe. Je zoekt ’t op de Westersingel en de Maurits-weg en ’t leg naas je bed, zogezeid.”
„We kenne de notaris nog es gaan opzoeke,” mompelde er een.
„Heb nooit geld in huis, alles derek op de bank.”
„Allez, vergeten we da zulle. Een rondje op d’n malheur,” troostte een Antwerpenaar, die een tijdje in Rotterdam rondhing, op de vlucht voor de Belgische politie.
„Op de pech dan,” zei de eerste weer, „misschien haalt Koos de Munnik de reis en dan leit d’r nog wrat voor hem in 't vet.’
Maar Koos de Munnik haalde de reis niet. Twee dagen later stierf hij, des avonds. Ze waren allen bij hem, Neel en Hein de Groot, Pleun Bonten, zijn buren, de dominee en een paar zusters van het Leger des Heils.
Hij glimlachte mat, toen Neel de Groot hem een afscheidskus op het voorhoofd drukte en zei fluisterend:
„Da’s de enige die ik ooit van een vrouw heb gehad, Neel, met die zoen kom ik voor God... as een cadeau.”
Toen huilde hij en werd bewusteloos...
Onmiddellijk na zijn dood werd de inhoud van zijn testament bekend. Neel de Groot had het even moeilijk met de vrouwen van de Vissersdijk, want die zeiden overluid:
„Dat kunsie had ik ook gekend, héé... voor twee duizend
D9