Hein nam het verbouwereerd, maar 20 dronken was hij niet of hij kon haar begrijpen.
Neel zorgde, dat de notaris kwam. Met twee klerkengetuigen. Koos de Munnik richtte zich moeilijk op, wees naar de plint achter het buffet en zei:
„Daaro ligge me cente.”
De klerken sjouwden het buffet opzij, trokken de losse plint weg en haalden een ijzeren geldkistje voor de dag. Koos de Munnik frommelde in zijn hals onder z’n borstrok en de notaris zag aan een katoenen band een sleuteltje te voorschijn komen. Het geldkistje werd geopend en de inhoud geteld. Meer dan veertienduizend gulden en dan was er nog een spaarbankboekje met vijfduizend.
,,Me ouwe dag,” fluisterde de schoenmaker,” nie meer nodig... die cente had ik nooit hoeve te spare.”
„Wat is uw laatste wilsbeschikking,” vroeg de notaris zakelijk.
Het bleef lang stil in de kamer. De notaris keek eens veelbetekenend op zijn horloge, de klerken op hun nagels en zij geeuwden. Eindelijk zei de Munnik:
„Twee duizend gulde zijn voor Neel de Groot, as dank dat ze me niet heeft late krepere as ’n hond. En de rest is voor Pleun Bonten... allenig as ze bewijzen ken da’k d’r cente niet heb gestole... en dat binne drie maande. Anders mot de rest bestemd worde voor mismaakte weeskindere... ieder duizend gulde... en as d’r niet genog mismaakte weeskindere benne... dan telkes duizend gulde as d’r een nieuwe in ’t huis komp.”
De notaris noteerde en zei toen, wat effen:
„U wilt dat Pleun Bonten uw geld krijgt als zij bewijst, dat u onschuldig bent. U bedoelt zeker, dat zij moet bewijzen, dat u schuldig was en dat u haar vermogen bij het uwe hebt gevoegd.”
„Nee... ze hebbe me beschuldigd en dat is m’n dood ge-worde. Die verdenking blijft op me en gaat mee in m’n graf.